Horeca wil van brouwerijen los

Horeca wil van brouwerijen los

De inkoopprijs van bier is te hoog. Dat stelt Koninklijke Horeca Nederland (KHN). Ze vraagt aan de beleidsmakers en aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) om op te treden. In andere landen hebben de horeca-ondernemers zich al meer losgewerkt uit de wurggreep van de brouwers. Waar wacht men op om dit ook in Nederland te veranderen?

Veel ondernemers in de horeca, vooral de café-uitbaters, hebben zich gekoppeld aan een bierbrouwer. Bier inkopen kost twee keer zo veel als bij de groothandel (€2 per liter tegenover €1 per liter). Bierbrouwers binden de horeca-uitbaters aan zich via leningen of door borg te staan, maar de sterkste binding blijft die via het pand waarin de uitbater zijn zaak vestigt. De meeste horecabedrijven en driekwart van de cafés zijn door een geldlening, borgstelling of pand gebonden aan een bierbrouwer.

Eén op zes horeca-uitbaters hebben hun zaak in een pand dat eigendom van de brouwerij is. Voor cafés ligt dit aantal veel hoger. Dit is historisch gegroeid: wanneer uitbaters in het verleden niet terecht konden bij banken voor financiering, wendden ze zich tot brouwerijen. Het gevolg is dat ze nu afhankelijk zijn. Café-uitbaters kunnen dus niet zomaar eventjes van toeleverancier wisselen. Als de brouwer eigenaar is van het pand, dan spreekt het voor zich dat het inkomen van de uitbater lager ligt.

Heel lange tijd ondergingen de brouwers deze situatie gelaten, maar sinds de Europese Commissie zich meer en meer toelegt op kartelvorming, roeren ze zich. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma) liet alvast weten dat het de zaak zal bekijken. In andere Europese landen is de binding van brouwerijen aan cafés al meer afgebouwd.